Info Geometrie en Vering
Gevoel Grip Balans
Set-Up
Bij de set-up van je motorfiets is het
uiteindelijke doel: het krijgen van een goed sturende motor.
De set-up wordt aangepast door veranderingen in de geometrie/rijhoogte
en door veranderingen in de demping/vering van je motor.
Slecht stuurgedrag
en/of slingeren van de voorvork zijn problemen die
voortkomen uit de geometrie.
Stuiteren, glijden of
oncomfortabel aanvoelen zijn problemen die voortkomen uit
demping en vering.
Voordat er een begin wordt gemaakt met het
oplossen van problemen als stuiteren of niet absorberen van
oneffenheden, is het absoluut noodzakelijk dat het
stuurgedrag van je motorfiets al goed is, de geometrie moet
dus eerst kloppen.
Een probleem dat
voortkomt uit de geometrie kan door het veranderen van de
demping worden opgelost.
Maar hierdoor worden
altijd nieuwe problemen veroorzaakt.
Basis
Zorg ten eerste dat je een goede zithouding vind
op je motor en dat je stuur goed (en hoog genoeg) staat.
De zithouding is voor supermoto vaak een beetje voorop de
motorfiets.
Ga niet te veel verzitten, maar hou zo veel mogelijk rust in
je motorfiets!
Voordat wordt begonnen met het aanpassen van de geometrie,
moet eerst de juiste veervoorspanning worden ingesteld,
zodat de gebruikte slag van de voorvork en de
achterschokbreker optimaal is.
Gebruik een slagindicator om de gebruikte slag te kunnen
controleren.
De veervoorspanning moet eerst goed zijn want die bepaald
voor een groot gedeelte de rijhoogte van je motor.
Stel de voorspanning zo in dat de negatieve veerweg tussen
de 20 en 30% van de totale veerweg is.
Laat eventueel de veersterkte aanpassen aan je eigen postuur.
Verander niet in een keer teveel, maar doe de veranderingen
stap voor stap, zodat je altijd weet welke verandering
negatieve of positieve gevolgen heeft!
Schrijf alle veranderingen met de gevolgen hiervan op, zodat
je het altijd terug kunt lezen.
Stappenplan
STAP 1:
Als je begint zorg je eerst dat je motor een redelijke
basisafstelling heeft qua demping, veervoorspanning en
veersterkte
STAP 2:
Stuurgedrag goed krijgen, kijk naar de gebruikte slag voor
en achter, eventueel aanpassingen maken.
STAP 3:
Is stuurgedrag nog niet goed dan de rijhoogtes voor en
achter aanpassen (zie: geometrie/stuurgedrag).
STAP 4:
Als het stuurgedrag goed is dan als laatste: stuiter, grip
en comfortproblemen oplossen.
De zogenaamde fijnafstelling.
Verstel met name de
veervoorspanning van de achterschokbreker niet meer want
deze is van grote invloed op het stuurgedrag.
STAP 5:
Als er ondanks diverse afstellingen stuurproblemen blijven,
ga dan terug naar de beginafstelling.
Anders raak je het spoor volkomen bijster!
Geometrie/Stuurgedrag
Slingeren, vliegen van
het voorwiel bij uitaccelereren.
Motor wil bij ingaan
van de bocht niet afdraaien.
De achterkant van je motor kan te laag zijn omdat
je schokbreker te kort of te zacht is (kijk naar de slag),
het probleem kan ook veroorzaakt worden door een te geringe
doorsteek van de voorvork.
Dus meer doorsteek van voorvork of achterschokbreker langer
maken.
In de bocht last van
overstuur (maken van kleinere bocht).
Bij uitkomen van de
bocht last van onderstuur (maken van grotere bocht).
De voorkant van je motor is te laag en daardoor
rij je met te veel druk op je voorwiel.
Dus minder doorsteek van de voorvork of de achterschokbreker
korter maken.
Fijnafstelling
Voorvering
Voorwiel stuitert bij
aanremmen van de bocht.
Je voorvork is te hard of te zacht, kijk naar de
slagindicator.
Maximaal de veervoorspanning met 4 mm verlagen of verhogen.
Is dit niet voldoende, dan de luchtkamers verkleinen of
vergroten.
Voorwiel stuitert in
het midden van de bocht (zonder gas geven of remmen).
Geef de voorvork iets meer uitgaande demping.
Helpt dit niet dan meer veervoorspanning.
Niet absorberen van
oneffenheden.
Als je motor van de lijn afwijkt bij oneffenheden,
dan de ingaande demping zachter maken.
Geen goede feedback van
de voorband.
Je moet een zekere mate van slip kunnen voelen
van de voorband.
Is dit niet het geval dan meer ingaande demping.
Glijden van de voorband.
Als je voorband te veel glijdt dan minder
ingaande demping.
Fijnafstelling
Achtervering
Geleidelijk pompen van
de achterkant.
Voel je teveel beweging met een geleidelijke
lange slag, dan is de ingaande demping te zacht.
Pompen met een snelle
korte slag.
Schokbreker is te hard en de achterband moet te
hard werken, ingaande demping is te hard.
Stuiteren van het
achterwiel tijdens remmen.
Bij stuiteren tijdens het aanremmen van de bocht,
de ingande demping zachter maken, of de uitgaande demping
zachter (dus sneller maken).
Als laatste kan ook een slag minder veervoorspanning
geprobeerd worden.
Feedback achterband.
Als je geen goed gevoel hebt met je achterband,
dan meer ingaande demping.
Glijden van de
achterband.
Als tijdens het uitaccelereren de achterkant van
de motor gaat glijden, of als de motorfiets glijdt in de
bocht, dan minder ingaande demping.
Achtervering blokt.
Meestal treedt dit op als je door een gat in de
baan rijdt.
Maak de ingaande demping wat harder of monteer een hardere
veer.
Niet voldoende
absorberen van oneffenheden.
Alleen de ingaande demping zachter zetten.
Een zachtere veer monteren heeft geen zin, omdat het niet de
veer is die te hard aanvoelt, maar de demping.
De veer is namelijk om de achterkant van de motor hoog te
houden voor een goed stuurgedrag.
Veel succes met het afstellen
van je rijwielgedeelte.
En denk er aan, als je
vind dat je vering wel goed genoeg is, dan moet je harder
gaan rijden